DE BEZIENSWAARDIGHEDEN VAN DE MIRDITA REGIO

DE MIRDITA REGIO

 

 

De Mirdita regio is één van de minst toeristische regios van Albanië. De regio is minder ontwikkeld dan de rest van Albanië en minder toegankelijk geweest door de bergachtige gebieden en slechte wegen. Ten onrechte in toeristisch opzicht, omdat reizen door de Mirdita regio betekent rijden door groene vlakten, glooiende heuvels met wijnranken, middelhoge bergketens, kleine geïsoleerde dorpjes en weinig industrie. De bereikbaarheid van deze regio verbeterde in 2010 na de komst van de SH10- snelweg, anders bekend als de Rruga e Kombit. (De weg van de Natie). Met 114 km snelweg wordt het nu mogelijk om de regio van Mirdite met Durres in het zuid-westen en Kukes in het noord-oosten  te verbinden en voorbij de grenzen van Albanië met Kosovo en diens hoofdstad Prishtina. Er liggen enkele interessante stadjes en dorpen in de Mirdita: Milot, Rubik, Rreshen, Orosh en Spaç. Met veel geschiedenis zowel uit de tijd van de Ottomaanen als tijdens het communisme is het zeker interessant voor de reiziger die graag natuur, geschiedenis, rust en leegte wil ervaren. We bezochten opnieuw (deze herfst 2020) deze plaatsen onderweg naar Prishtina.

 

MILOT

Bij het marktstadje Milot rijd je tegenwoordig de Mirdita regio binnen langs de kleurrijke groentemarkt. Een grote vervallen brug met vijf bogen, uit de tijd van koning Zog, valt direct op.

 

Ijzeren brug uit 1928, bekend als de brug van Koning Zog, die jarenlang de verbinding vormde met het noorden. Sinds 2010 gesloten.

Vroeger ging je dan via deze ijzeren brug, welke de enige brug was die de Mirdita verbond met het zuiden van Albanië, naar het noorden. Precies deze brug, die na de komst van de SH10 in verval kwam en nu dicht is, is een historisch punt die noemenswaardig is. Voor vele Albanezen was het de poort naar de hel. Alle mensen die gevangen werden genomen in werk-en strafkamp Spaç of andere kampen van het noorden, passeerden door deze brug wetend dat het een poort-zonder retour was.

De brug getuigde ook van de lijdensweg van vele Albanese families die hun dierbaren bezochten of wilden bezoeken in kamp Spaç. Hoe vaak moesten ze de nacht doorbrengen in de open lucht bij deze brug, wachtend op toestemming en controle van de ‘Sigurimi’ (geheime dienst). Historisch gezien is het een zeer belangrijke brug.

Voor de weinige toeristen die daar vroeger passeerden, betekende het een begin van een avontuur: door smalle bergwegen met haarspeldbochten reed je door slaperige dorpjes waar je veel opzien baarde als je uitstapte en in de dorpscafe koffie of de gebakken kaasspecialiteit van de streek ‘kaçkavall’ bestelde.  

Door de Sh10, ook wel de autostrada genoemd, is de Mirdita regio in tweeën gedeeld en ontsloten. Het aanleggen van die weg heeft jaren voor veel werkgelegenheid gezorgd en een deel van de bewoners is daarvoor teruggegaan naar hun oude dorp. Nu de autostrada klaar is, liggen er benzinestations en wegrestaurants. De winkeltjes langs de oude weg van Milot naar Rubik hebben het nakijken. Het is doodstil, er rijden geen automobilisten meer langs, iedereen neemt de autostrada en koopt zijn koffie bij het tankstation.

 

RUBIK

Het plaatje Rubik is bekend als een mijnwerkersstadje, waar een van de oudste mijnen van Albanië stond. Hier werd het kwalitatief hoogwaardie koper gedolven. Tegenwoordig is het een vervallen stadje met veel woonkazernes, ware het niet voor het kerkje van Rubik. Die zie je vanaf de autostrada al kilometers van te voren in de verte liggen, een klein  Franciskaner kerkje hoog op een rots, een prachtig beeld. Sla af en ga naar boven. Op de rotsformatie staand heb je een schitterend uitzicht op de autostrada en de delta van de Fan rivier.

 

Uitzicht op de rivier de Fan vanaf het kerkje van Rubik.

 

De kerk is herbouwd, het klooster is een ruïne. In het Franciscaner klooster van Rubik hebben twee Nederlandse militairen van de Nederlandse vredesmissie in Albanië in december 1913 – na een barre rijtocht te paard door de bergen – een nacht doorgebracht. Zij hadden daarvoor gesproken met de kapidan van de Mirdieten, Preng Bib Doda uit Orosh.

De Hemelvaartskerk van Rubik dateert uit de 13de eeuw; het Franciscaner klooster is er veel later, in de 19de eeuw, bijgebouwd. De originele kerk was bekend om zijn schitterende fresco’s maar die zijn samen met relikwieën, bibliotheek en archief van het klooster vernield in 1967. Na de val van het communisme heeft de katholieke kerk in samenwerking met de Albanese regering de muren van de kerk van de Hemelvaart in Rubik hersteld.

 

De Franciskaner kerk van Rubik boven op de rotsen.

 

Dr. Marianne Graf, een Oostenrijkse ontwikkelingseconoom die toevallig in de Mirdita terecht kwam, is hier al lang heel actief. Geschokt door de armoede in het land richtte ze in 1992 de non-profit organisatie Stichting Albanië-Oostenrijk op die sinds 1992 meer dan honderd projecten op allerlei terreinen uitvoerde. In 1999 ving de Stichting in Rubik 13.000 vluchtelingen uit Kosovo op. Graf is nu vooral bezig met het stimuleren van ecotoerisme en transformatie van kulla’s in gasthuizen. https://hikingmirdita.com

 

Eco Hotel Marubi in Rubik, een oase van rust in de bergen en liggend aan een riviertje.

 

RRËSHEN

Rrëshen (8.000 inw.) werd ‘hoofdstad’ van de Mirdita regio in 1949. Het stadje werd een nieuw administratief centrum aan de oevers van de Zmeja, een zijrivier van de Fani i Vogël op de plaats van het oude dorp Lumth. Vanuit Rreshen wilde het regime de Mirdita socialiseren en de collectivisatie van de landbouw in de bergen verspreiden. De Mirdita was een van de laatste regio’s waar dit gebeurde. Het extreem rotsachtige terrein was niet ideaal voor grootschalige landbouw; lokale families hadden kudden geiten of schapen en teelden maïs, bonen en andere groenten op kleine lapjes grond. En de weerstand van de katholieke clan-samenleving die doorbroken moest worden was veel sterker dan verwacht.

Sinds de ineenstorting van het communisme in 1991 is Rreshen veranderd. Dorpelingen uit de Mirdita verhuisden naar Rreshen, andere inwoners verlieten Rreshen juist om naar de kustvlakte te gaan, waar vruchtbare grond beschikbaar was, naar Lezha of Tirana of naar het buitenland. Een aantal mensen die afkomstig waren uit de regio maar elders in het land moest wonen of werken (door veroordeling en verbanning), keerde terug naar de regio. De aanleg van de autostrada door het Amerikaans-Turkse conglomeraat Bechtel-Enka tussen 2000-2010 betekende tijdelijk enorme werkgelegenheidsuitbreiding voor duizenden mensen in de Mirdita. Daarna zakte het district weer terug in de oude armoede.

 

Marktplein van Rreshen met kleurig opgeschilderde woonkazernes

 

Rreshen is een typisch regionaal centrum; gemeente, scholen en ziekenhuis zijn de grootste werkgevers. Als enige grote plaats is Rrëshen openbaar vervoer knooppunt binnen de Mirdita en met Lezha, Tirana en Shkodra. Er staan nog veel woonkazernes al zijn die ondertussen aardig in felle kleuren opgeschilderd. Wij dronken koffie in een van de cafeetjes aan het mooi opgeknapte stadsplein, bezochten het historisch museum dat veel informatie heeft over de Mirdita regio als onafhankelijk gebied, het katholicisme en een interessante grote foto-afdeling.

Het Cultureel Centrum van Rreshen bezit een etnografische collectie van verschillende klederdrachten uit de Mirdita en vele muziekinstrumenten.

In een buitenwijk van Rreshen, ‘Zona Industriale Mirdita’, ligt een van Albanië’s grootste wijnproducenten. Kantina Arberia bezit bijna 20 hectare aan wijngaarden. Eigenaar is Fran Kaçorri. De wijngaarden verbouwen de Kallmet druif, voor inheemse rode wijn en Arberi, een druivenras dat groeit in de Bukmira, de heuvels ten noorden van Rrëshen. De kantine produceert ook witte wijn van Shesh i Bardhe druivenraki en sinds kort een methode champenoise. Kantina heeft een kleine wijnproefruimte kantina-arberi.com.

 

 

 

NDËRFUSHA

Het dorpje Nderfusha, dat je misschien zo voorbij zou rijden wordt bewoont door de klederdrachten en poppen verzamelaarster Martina Tuci. Wij kwamen daar bij toeval terecht. Martina heeft een collectie kostuums en hoofddeksels uit de Mirdita zodat je jezelf kunt transformeren in een vrouw of man uit de Mirdieten. Verder heeft ze een collectie poppen die gekleed zijn in de lokale klederdrachten. (vraag haar adres bij de Info Kulla in Rubik).

 

Martina Tuci uit Nderfusha

 

OROSH

De Mirdita was een ontoegankelijk dunbevolkt berggebied waar het Ottomaanse gezag vroeger weinig grip op had en waarvoor het communisme ook veel moeite moest doen. Hier woonden autonome katholieke stammen met eigen tradities: de Mirdita. Het was een soort semi-autonoom gebied, met voorrechten die geaccepteerd waren door de sultan. De historische regio van Mirdita ligt in het bergachtige bekken van de rivieren Mati, Fani i Vogel en Fani i Madh (kleine en grote Fan). De rotsachtige bergpieken bereiken hier hoogten van 2000 m.

Het gebied was arm, schraal, stenig, er groeide amper iets. De mannen van de clans verdienden vroeger de kost als schaapherders, struikrovers en huursoldaten. De Mirdita stam was historisch verdeeld in twaalf bajraks (vlaggen, banieren), op basis van clans, bestuurlijke eenheden onder het centraal gezag van de Gjonmarkaj familie, die deze regio’s leidden.

Het zeer ontoegankelijke dorp Orosh, diep in de ontoegankelijke bergen van de Mirdita liggend, was zetel van de familie Gjonmarkaj en hoofdstad van deze clan-samenleving. De leider van de Gjonmarkaj familie was kapidan en had veel macht. Orosh was zowel wereldlijk (via het systeem van ‘Kapedani’), kerkelijk (Abacia) als qua rechterlijke macht (rechtspraak van de Kanun) de hoofdstad van de Mirdita regio. Orosh was dus een heel bijzonder religieus centrum, een uniek bisdom dat rechtstreeks onder de Paus viel. In 1703 komt dit kerkelijke recht al voor in Vaticaanse documenten. De kerkvorst van de Mirdita kon rechtstreeks zaken doen met de paus in het Vaticaan. De kathedraal van Orosh speelde een belangrijke rol in de rechtspraak van de Kanun; hier moest het bloedgeld betaald worden (Lees Ismail Kadare’s bekende roman Een breuk in april uit 1994 gaat over een bloedwraak-slaçhtoffer dat zijn bloedgeld gaat betalen in Orosh).

De prins/kapedan kon als voorman namens alle 12 clans rechtstreeks onderhandelen met buitenlandse machten zoals de Ottomaanse sultan. Het prinsdom/kapitanschap was ook erfelijk al hoefde het niet altijd automatisch naar de oudste zoon te gaan. In de Balkanoorlogen en na de Eerste wereldoorlog onderhandelden de kapedans mee. Dit hele hiërarchische systeem in de Mirdita, dat eeuwen goed had gefunctioneerd, kwam definitief ten einde met de overwinning van de communisten in 1944. Vanuit de provinciehoofdstad Rreshen probeerde men de macht van deze religieuze, wereldlijke en rechterlijke drie-eenheid te breken. Dat lukte wat betreft de leiders (die vluchtten naar het buitenland) en de gebouwen (die werden afgebroken) maar de mentaliteit van de Mirdita stamoudsten veranderen kostte moeite.

De Gjomarkaj familie werd onteigend en vluchtte naar het buitenland. De laatste kapidan Gjomarkaj had met de Italianen samengewerkt. Zijn grote Sarajet -paleis- in Orosh werd afgebroken. Het paleis van de bisschop van Orosh en de enorme kathedraal eveneens.

Orosh is nu een doodstil dorp dat helemaal omringd wordt door indrukwekkende hoge beboste bergen. Het is het einde van de wereld, zeker na een barre autotocht, je voelt de geschiedenis en het drukkende huidige isolement van de plek en tegelijk kun je je niet voorstellen hoe deze plek zo machtig kon worden.

 

Abdij van Orosh, gebouwd in 1995 op de plek van de oude kerk die in 1967 werd vernield.

 

Wij bezochten de herbouwde abdij die langs de weg ligt. De Benedictijner abdij is al vaak verwoest en weer opgebouwd. De originele Sint Alexander kerk uit de 14de eeuw is in 1876 grondig verwoest door de Turkse Turhan pasha en herbouwd. In 1912/1913, tijdens de Balkanoorlogen, is de kerk zwaar beschadigd. In 1967, tijdens de grote atheïsme campagne van Enver Hoxha, werd de kerk tot op de grond toe afgebroken. Pas in 1995 is de abdij weer op de oude plaats herbouwd, met behulp van oude foto’s (zoals een schitterende foto van Shan Piçi uit 1928). Je ziet dus een nieuwe kerk maar wel naar een exacte kopie van de kerk uit 1912.

Ook hebben we – na een flinke bergwandeling – het afgebroken Sarajet van de Gjonmarkaj familie bekeken. Onbegrijpelijk dat het ooit zo machtige Orosh nu zo verlaten is.

 

SPAÇ

In de communistische periode werden houtkap en mijnbouw – voornamelijk koper en chroom – centrale economische activiteiten in de Mirdita. Er was veel werk in de mijnbouw, vooral in de kopermijnen van Spaç, waar politieke gevangenen onder zeer slechte omstandigheden werkten, en in Rubik. Na 1991 gingen de mijnen dicht en trokken de mensen weg, naar Tirana, Shkodra, of naar het buitenland. Mijnconcessies zijn sindsdien verkocht aan Canadese mijnbouwbedrijven, die nu bezig zijn met het verkennen van de mogelijkheden van regio.

De houtkap gaat nog steeds door, ook al is het meestal illegale houtkap voor de lokale brandhout-markt. De laatste mijnen – inefficiënt en verouderd – werden in 1996 gesloten.

 

Het geïsoleerde werkkamp Spaç in de afgelegen bergen van de Mirdita.

 

De gevangenis van Spaç was een berucht werkkamp dat in 1968 werd opgericht door de communistische regering bij een koper- en pyrietmijn in een afgelegen en bergachtig gebied in de Mirdita. Het was slechts een van de vele werkkampen in Albanië, maar de politieke gevangenen die er moesten werken waren prominente Albanese intellectuelen. De locatie van het werkkamp, op een terrasvormige helling onder de ingang van de tunnel naar de mijn, was zo afgelegen dat er geen muur nodig was om het complex te beveiligen, alleen een prikkeldraad afrastering onderbroken door bewaakte posten en een poort aan de voorkant. Veel dwangarbeiders zijn hier door uitputting, kou, honger en martelingen gestorven. Hun lichamen zijn niet begraven maar in de mijnen gegooid.

In mei 1973 vond in Spaç een beroemde gevangenisopstand plaats, een van de eerste momenten van verzet tegen het regime. Niettemin bleef Spaç werkkamp tot de val van het communisme. Het werd volledig verlaten. De journalist en schrijver Fatos Lubonja (1951) werkte 11 jaar, van 1974-1985, van zijn in totaal 16 jaar detentie in Spaç en schreef na zijn vrijlating ‘Second Sentence’ een huiveringwekkend boek over het dagelijks leven in de Albanese Goelag-archipel in de jaren ‘70 en ’80. Het is moeilijk het op berghellingen gelegen kamp Spac te bezoeken en ondanks vele serieuze pogingen om de gevangenis en mijnen op te knappen en er een waardig herdenkingsoord en museum van te maken is er niets substantieels gebeurd. Ondertussen vervalt het complex verder. De regering heeft er geen politiek belang bij en wil er geen geld in investeren.

Pas in juni 2017, met ondersteuning van de Zweedse ambassade in Tirana, hebben er noodherstel-werkzaamheden en tijdelijke structurele stabilisaties van verschillende gebouwen plaatsgevonden. Wel gaf de regering in 2014 toestemming aan een Turkse onderneming om de kopermijnen weer te exploiteren, nota bene op korte afstand van de gebouwen.

Comments

Geef een reactie