Een paar jaar geleden bracht ik nogal veel tijd in Tirana door. Ik schreef een Nederlandse reisgids over Tirana die in mei 2017 zou verschijnen. Ik kende de stad heel goed maar er veranderde bij elk bezoek zoveel dat ik alle bijzondere plekken voor de gids nog een keer moest bezoeken. En er waren plekken waar ik vroeger niet was geweest en die nu onherkenbaar gerenoveerd waren.
Zo moest ik beslist naar een buitenwijk van Tirana, de zuid-oostelijke wijk Ali Demi, waar recent het geheel vernieuwde Bektashi Wereldcentrum was geopend. Een vriend van mij, de Albanoloog Robert Elsie, die bezig was met een boek over de bektashi beweging in Albanië, was er net na de heropening in 2015 geweest en raadde het me sterk aan. ‘Bezoek het voor je gids, Gerda. Je mag het centrum echt niet missen. Je weet niet wat je ziet’. En zo nam ik nieuwsgierig de bus naar Ali Demi, stapte natuurlijk te vroeg uit, wandelde door smalle armoedige straten in een licht glooiend deel van Tirana dat ik niet zo goed kende, verdwaalde een paar keer, vroeg de weg en stond toen ineens voor de poort.
De Nederlandse schrijver Den Doolaard had het in 1932 al bezocht. Hij had ter plekke ook nog een foto gemaakt van een baba, een geestelijke van de bektashi.

Tirana, Albanië’s hoofdstad, waar Koning Ahmed Zogu I troont, wordt snel een moderne stad, waar de slecht ingelichte vreemdeling, die hier een roversnest denkt te vinden, op een prachtige asfaltboulevard tussen keurige ministeries en kleine gezanten-paleizen door kan wandelen. Wanneer de leden van het ‘corps diplomatique’, de gezanten en consuls dus, zich amuseren willen, gaan ze vlak in de buurt van Tirana de derwisjen van de bektashi-sekte opzoeken; en geen enkel buitenlands journalist ontsnapt aan de gastvrijheid dezer brave Muzelmannen.
Het zijn ware wijzen en ze zien er stuk voor stuk als filosofen uit; maar ze weten zich wonderwel aan de moderne tijd aan te passen. Want ze dansen niet meer, zoals hun oostelijker broeders, urenlang met het schuim op de mond, doch houden er een grammofoon met de meest moderne platen op na, en wanneer er dames op bezoek zijn, dansen ze statig een foxtrot, waarbij hun lange witte gewaden als hoepelrokken uitwaaieren. Samen met twee Amerikaanse journalisten en enige dames van de Amerikaanse en Franse legatie werd ik door de directeur van het regeringspersbureau tot een maaltijd bij de Derwisjen uitgenodigd, en het werd een groots feest.
In de open lucht werd een lam aan het spit gebraden; sla, kersen, compote, grote kannen wijn, niets ontbrak; na het eten werden gezelschapsspelletjes gedaan, zoals ‘drie is te veel’, waarbij de baardige Derwisjen holden als schooljongens. En wanneer elk niet het grote witte kristal aan de groene gordel gedragen had, het teken der overgave aan een peinzend innerlijk leven, zou men zich eerder op een maskerade-feest van verklede derwisjen gewaand hebben dan bij echte.
Het Bektashi Wereldcentrum
Ik stond tachtig jaar na Den Doolaard op dezelfde plek. Maar wat een metamorfose had het ooit kleine centrum ondergaan. Een prachtige stenen poort met houten deuren leidde naar een ruime sfeervolle binnenplaats met marmeren fonteinen. Er stonden standbeelden van de Bektashi oprichter Hadji Veli Bektashi en van Naim Frashëri, leider van de Albanese Renaissance beweging in de 19de eeuw.




Ik ging eerst maar eens de boekhandel bekijken. Een goed gesorteerde winkel die veel literatuur over de bektashi (ook in het Engels) verkocht en tot mijn grote verbazing ook aan moderne merchandising deed. Er waren mokken, ansichtkaarten, buttons en posters van een heilige bektashi te koop. Overal keek Sjeik (Sheh) Ali Aliu, een knappe man met lang donker haar en een baard en een woeste uitstraling me van posters en schilderijen aan. Hij zag eruit als een Arabische popster. Ali Aliu was geboren in de 7de eeuw en stierf op zijn 35ste als martelaar in de strijd tegen de duivel bij de slag om Karbala in Irak.

Het bektashi complex had een groot open plein en een gebouw met twaalf bogen (naar de twaalf imams, de twaalf nakomelingen van de profeet Mohammed). Ik was verbijsterd over de schaal van de gebouwen, alles was buitenproportioneel groot, de schaal was verkeerd, het leek in niets op het gezellige feestterrein uit 1932, op de eenvoud en charme van het centrum dat Den Doolaard had gezien.
Het leek ook niets op alle kleine bektashi tekke’s die ik in al die jaren in Albanie had gezien, in Kruja, Gjirokastra, Berat, maar dat waren kleine, intieme en oude religieuze plekken, met enkele kisten van overleden heiligen. Dit centrum had niets intiems meer. Alleen in Vlora was ook een nieuwe tekke neergezet, hoog op een heuvel in het centrum van de stad. Die was echter klein vergeleken bij deze.

Er waren geen bezoekers. Een jonge man met een wit hoofddeksel en een witte jas over zijn gewone kleren, geen geestelijke, kwam naar me toe en opende het grote hoofdgebouw, de grote tekke met het museum, voor me. Hij vertelde dat dit nieuwe religieuze centrum – op de oude locatie- werd ingehuldigd in 2015 in het bijzijn van de hoofden van alle religieuze gemeenschappen in Albanië en vertegenwoordigers van de islam gemeenschappen elders in de Balkan, Europa en daarbuiten.
Er hingen overal affiches van die feestelijke opening en het was bijzonder om katholieke, orthodoxe en soennitische islam geestelijken broederlijk naast elkaar te zien staan, samen met de Albanese politieke leiders. Albanië is over de hele wereld bekend om zijn grote religieuze tolerantie.
Binnen in de splinternieuwe tekke raakte ik van slag door de schaal van het gebouw, met zijn twaalf ramen en lege spiegelende marmeren vloeren. Het was te groot, te imponerend, te leeg. Het hele gebouw was van boven naar beneden gedecoreerd met patronen in de meest adembenemende kleuren. Aan de muur hing de groene Bektashi vlag en de rode vlag met de dubbele zwarte adelaar van Albanië.


In de kelder was een bektashi museum gevestigd met tentoonstellingspanelen. De gids liet me de complexe geschiedenis van de bektashi zien, vertelde me over het ontstaan van deze bijzondere stroming.
Ik bedankte de gids en vervolgde alleen mijn tocht door het Bektashi Wereldcentrum door het bekijken van de drie prachtige groen-witte koepelvormige tomben van overleden bektashi leiders. Ik deed mijn schoenen uit en ging overal naar binnen. Er kwamen nu ook andere mensen binnen, Albanese gelovigen, bektashi’s, die de hoofdeinden van de kisten – bespannen met groene lakens- aanraakten. Die ruimtes waren overvloedig voorzien van prachtige muurschilderingen. Abstracte patronen, guirlandes, ik vond ze heel mooi.
Ik vroeg me alleen af, hoe rijk is deze religieuze stroming die tientallen jaren een ondergronds leven moest leiden en geen in eeuwen vergaard kapitaal en gebouwen heeft zoals de katholieke en orthodoxe kerk? Wie heeft deze gebouwen gefinancierd?


Wat is de bektashi-beweging?
In Albanië zijn veel moslims aanhangers van de bektashi, een stroming binnen de sjiitische islam. De naam komt van de 13de eeuwse derwisj Haji Bektash Veli uit Khurasan, Iran, die naar Anatolië emigreerde. Het bektashi geloof werd in Albanië ingevoerd door derwisj Sar Salteku uit Korfoe, die zes kloosters (tekkes)stichtte, vooral in het midden en zuiden van het land: in Tirana, Kruja, Tepelena, Gjirokastra, Korça en Berat.
Bektashi’s stonden moslims en christenen toe samen te geloven zonder dat zij daarvoor hun godsdienst hoeven op te geven; men kon dus zowel christen als bektashi zijn. De stroming was heel populair in het Ottomaanse Rijk, onder de christelijke jongens die bij hun ouders weggehaald werden en opgeleid werden tot officieren in het leger van de sultan, de Janitsaren.
Toen het Ottomaanse Rijk ineenstortte en in 1923 de Republiek Turkije werd gesticht, verbood de Turkse leider Mustafa Kemal Atatürk het bektashisme. Het hoofdkwartier van de beweging werd daarom in 1925 verplaatst van Anatolië naar Tirana in Albanie, omdat daar de meeste aanhangers woonden. De orde leidde een bloeiend leven tot aan de Tweede Wereldoorlog.
Onder de communistische dictatuur werden bektashi’s vervolgd. In 1967 werden alle tekkes gesloten. De baba’s en de derwisjen werden vervolgd en verplicht om op collectieve boerderijen en in fabrieken te gaan werken. Alleen ondergronds konden ze hun geloof nog uitoefenen.Vanaf 1991 werden de flink verwaarloosde gebouwen van het historische hoofdkwartier in Tirana weer opengesteld. De bektashi geestelijken en hun aanhangers hoefden niet meer in het geheim hun geloof uit te oefenen.
Het bektashisme verenigt de sjiitische islam en soefi. De beweging is een stroming van vrijdenkers die de twaalf apostelen erkennen, geloven in een heilige drie-eenheid, biechten en de absolutie ontvangen en die weinig waarde hechten aan voorgeschreven gebeden. Het geloof is een mengeling van heidense, christelijke en moslim elementen, waarbij mystieke eenheid, intellectuele eerlijkheid, tolerantie en verdraagzaamheid belangrijke uitgangspunten zijn. De vrouwen dragen geen sluiers, nieuwe leden worden ontvangen met brood, wijn en kaas; een duidelijke variant op de heilige communie.

Albanie en religie
Albanezen zijn ten opzichte van andere religies heel tolerant en ze zijn absoluut niet fanatiek in de uitoefening van hun geloof. Schrijver, dichter en diplomaat Pashko Vasa (1825-1892), actief lid van de Albanese Renaissance, schreef in 1878 een lang gedicht over de Albanezen: Oh moi Shqypni (O, Albanië). De laatste regel daarvan wordt heel vaak geciteerd door Albanezen als het om godsdienst gaat: ‘Het geloof van de Albanezen is Albanisme!’.
Volgens de laatste officiële cijfers is 57% van de Albanese bevolking moslim (meerderheid soennitisch, minderheid bektashi), 7% orthodox, 10% rooms-katholiek, 3% atheïstisch, 6% overig en 17% niet gespecificeerd (bron volkstelling 2011).
Tussen 1967 en 1990 was Albanië officieel een atheïstisch land, het enige ter wereld. In 1967 vaardigde Hoxha – geïnspireerd door de culturele revolutie van toenmalige bondgenoot China – decreten uit waarin het uitoefenen van een godsdienst was verboden. Kerken en moskeeën werden afgebroken of in gebruik genomen als veestal, opslagruimte, sporthal en bioscoop. Pas in 1991 konden de Albanezen hun godsdienst weer vrij belijden en begon het proces van herstellen van kerken, moskeeën en kloosters en – als dat niet mogelijk was – nieuwe bouwen. Dat verklaart waarom in het centrum van Tirana zoveel grote nieuwe godshuizen zijn te vinden.
De overheersende positie van de soennitische islam in Albanië is het gevolg van vijf eeuwen Ottomaanse bezetting. In de 16de eeuw was Albanië nog overwegend christelijk en was er godsdiensttolerantie in het Ottomaanse Rijk, maar in de 17de eeuw begonnen de bezetters een rigoureuze politiek van islamisering. Dat 57% bij een volkstelling nu moslim invult, betekent niet zoveel.
Albanië is in de praktijk geen moslimland. Veel Albanezen zeggen dat ze moslim zijn, maar bezoeken geen moskee en leven niet volgens de regels van de islam. Ze zijn tijdens die lange Ottomaanse bezetting vaak om economische redenen moslim geworden; ze hoefden dan minder of geen belasting te betalen. Christenen werden formeel moslim maar volgden thuis de christelijke rituelen.
Na 1991 zijn de gesloten moskeeën in Tirana weer gerestaureerd en in gebruik genomen, er zijn een paar nieuwe moskeeën verrezen, maar het straatbeeld in Tirana is niet dat van een moslimstad. Er zijn op straat weinig gesluierde vrouwen te zien. Alleen op islamitische feestdagen zie je hoeveel moslims er in Tirana zijn. Zodra de nieuwe enorme Namazgja moskee in het centrum van Tirana met haar 5.000 plaatsen wordt geopend (verwacht wordt dat president Erdogan van Turkije die in 2021 zal openen) zal dat ruimteprobleem voorbij zijn.
Boek over Bektashi
Mijn vriend Robert Elsie is in oktober 2017 overleden. Zijn allerlaatste boek (hij schreef er zo’n 70) was een encyclopedie, geheel gewijd aan de bektashi beweging in Albanië en Kosovo. ‘The Albanian Bektashi’ met op de omslag een groep bektashi geestelijken die op de heilige berg Tomor loopt. Geen foto van het gebouw van het bektashi wereldcentrum!
Met oneindig geduld heeft hij tijdens al zijn reizen alle bektashi kloosters/tekke’s en graven/tyrbes in kaart gebracht. Hij heeft alle oude verslagen van reizigers die in het verleden die religieuze plekken hebben bezocht opgenomen.
Robert was meer gecharmeerd van al die kleine tekke’s en tyrbe’s en vond het verschrikkelijk dat ze werden afgebroken om er grote nieuwe gebouwen voor in de plaats te zetten. Hij stuurde me ooit een foto van een beeldschone kleine tekke. Drie jaar later was hij er weer. De kleine tekke was verdwenen en er stond een groot gebouw net als in Tirana. Het commentaar was: ‘Ohne Worte’.
Ik schreef natuurlijk over het bektashi centrum in mijn reisgids, het is een cultureel fenomeen dat je moet bezoeken als je in Tirana bent en geïnteresseerd bent in religie en deze bijzondere stroming die in Albanie zo belangrijk is. Gelukkig heb ik ook alle kleine tekke’s in kleinere steden een plaats gegeven. Zolang ze nog niet zijn afgebroken.
(klik op de foto als u dit boek zou willen bestellen.)
One Reply to “Het Bektashi Wereldcentrum in Tirana”