Edward Lear 4 October 1848. Shkodra (Scutari) in Noord-Albanie. Het reisgezelschap op het pad dat leidt naar fort Rozafa. 

Edward Lear brengt twee bezoeken aan het Rozafa Fort van Shkodra 

Edward Lear tekening Shkodra, oude brug bahcallek
Aquarel van Edward Lear: Panorama foto van Shkodra met Bahcallek brug, fort en moskee
Edward Lear, 4 oktober 1848. Shkodra, met zicht op het fort en de oude stenen Bahçëllëk (Tuinen) Brug over de Drin Rivier. 
Edward Lear, 4 oktober 1848. Shkodra, met zicht op het fort en de oude stenen Bahçëllëk (Tuinen) Brug over de Drin Rivier.

 

De beroemde Engelse dichter, tekenaar en auteur Edward Lear (1812-1888) reisde in 1848 enkele weken door Albanië, dat toen behoorde tot ‘Ottomaans Europa’. Hij hield een uitgebreid reisdagboek bij waarin hij gedetailleerd alle ontmoetingen, gespreks-onderwerpen en andere belevenissen optekende. Ze verschenen later in fraaie albums geïllustreerd met schitterende aquarellen en tekeningen. 

Lear verbleef begin oktober 1848 een paar dagen in Shkodra, waar hij logeerde bij een Venetiaanse apotheker, twee bezoeken aan Pasja Osman in fort Rozafa bracht en veel mooie aquarellen maakte van de omgeving zoals het fort en het meer; en portretten van inwoners van Shkodra, zoals bedienden van Pasja Osman en de Engelse consul, en van de dochter van de Engelse vice-consul, Calliope Bonatti. 

2 oktober 1848, Reis Kruja-Shkodra 

Edward Lear reisde te paard van Kruja naar Shkodra, samen met zijn Albanese begeleider, de kleine Soorudji uit Tirana. Onderweg noteerde hij in zijn dagboek: ‘Een klein beetje gezouten kaas en wat zeer slechte wijn was al het voedsel dat ik kon krijgen; maar het verlies van de lunch werd gecompenseerd door alles wat ik onderweg zag: schitterende kostuums van boeren met hun scharlaken en karmozijnrode capes en korte grove kilts. Hun lange zwart haar, donkere gezichten en onmatig lange pistolen gaven hen een air van romantiek en wreedheid die ik nog niet eerder had gezien’.

’s Avonds heel laat kwam hij aan in de verlaten bazaar van Shkodra, een handelsstadje aan de grens met Montenegro, met mooie huizen en tuinen en boomgaarden dat langs het Meer van Shkodra. Shkodra was toen de hoofdstad van de Ottomaanse pashalik Scutari met aan het hoofd een gouverneur, Pasja Osman. Hij woonde in een paleis in fort Rozafa. Het was die avond voor Lear veel te laat om bij de pasja in het fort onderdak te vragen, zoals hij af en toe deed. Hij besloot zich eerst te melden bij de vice-consul van Engeland, signor Bonatti, waar hij rond middernacht aankwam. Uit zijn dagboek: ‘Signor Bonatti, een inwoner van Corfu en Britse vice-consul in de stad Shkodra, is een actieve en levendige kleine man, vol vriendelijke bezorgdheid voor de weinige voorbijgangers in deze regio. Hij had echter een grote familie van negen of tien kinderen en verontschuldigde zich daarvoor: hij was niet meer in staat om net zo gastvrij te zijn als vroeger. Hij raadde me een accommodatie aan in het centrum van de stad en na een kort verblijf bij zijn familie ging ik daarheen. Pas tegen zonsopkomst kwam ik bij het huis van Signor Marco, een Venetiaanse apotheker, die een aanzienlijke woning met twee of drie grote kamers en een tuin in een goede buurt in het centrum bewoonde. Hier zal ik drie dagen verblijven voordat ik verder naar het zuiden reis. Shkodra is het verste punt van mijn Albanese omzwervingen; de herfst komt eraan en ik wil nog voor Kerstmis Malta bereiken’.

3 oktober 1848 Bezoek aan pasja Osman in fort Rozafa

’s Ochtends zwierf Edward Lear rond om de oevers van het Meer van Shkodra te vinden. Tevergeefs. Uit zijn dagboek: ‘De halve ochtend ging voorbij met pogingen om het meer te vinden, waar ik, met mijn slechte oriëntatievermogen, uiteindelijk niet in slaagde. Dus, na in een cirkel te hebben gelopen tussen lanen, huizen, graven, moskeeën, rioleringen, bruggen en ommuurde tuinen, keerde ik net zo wijs terug naar de apotheek als toen ik vertrok. Ik bezocht de consul, wandelde met hem door de buitenwijken en kwam tot de conclusie dat de meest pittoreske plekken van Scutari zich aan de zuidkant van de bergkam bevinden. Als kunstenaar zou ik hier zeker wel een maand kunnen blijven, want er zijn veel mooie landschappen aan de oevers van het meer aan de voet van de Albanese berggrens in het oosten. Ook verlang ik er enorm naar om door te dringen tot Podgoritza en het land van de Montenegrijnen!

Om drie uur ‘s middags vertrok ik met Signor Bonatti voor een bezoek aan de Pasja van Shkodra. Ik had voor hem een brief bij me van de heer Blunt uit Saloniki. 

Na een bezoek aan enkele kooplieden in de bazaars, beklommen we de steile heuvel naar het kasteel. Het fort met zijn grote oppervlakte, dikke muren en talrijke vervallen forten binnenin, getuigt van grotere omvang en macht in vervlogen tijden. Het paleis van de Pasja is een gebouw zonder pretenties qua grootte, schilderachtigheid of rijkdom aan interieur. Vanuit de ramen is het uitzicht echter werkelijk naar alle kanten schitterend:

Noordwaarts zie je het dorp, de vlakte en het brede blauwe meer richting het grillige Montenegro met de Zwarte Bergen; zuidwaarts de verwoeste stad aan de voet van de heuvel en de vlaktes van de Drin; westwaarts kijk je langs de kronkelingen van de Bojana naar de Adriatische Zee en oostwaarts zie je de drukke bazaars liggen.

Osman Pasja, de hoogwaardigheidsbekleder die op dit moment de stad Shkodra en het omliggende district regeert, is een Bosniër van geboorte en zou in grote gunst staan ​​bij de Hoge Porte omdat hij met zijn leger een succesvolle oorlog heeft gevoerd tegen de Montenegrijnen, die altijd ruzie hebben met de mohammedaanse regering. Zijne Hoogheid is kort en dik, met een intelligente en beminnelijke gelaatsuitdrukking; en ondanks zijn oosterse houding – hij zat in zijn hoek gehurkt-  deden zijn lichte geklede jas en broek van Europese makelij hem weinig aan een Turk denken.

Naast hem zat een persoon, wiens dichtgeknoopte grijze vest, hoed, keten en kruis een rooms-katholieke bisschop verraadde. Het was Monseigneur Topicka, de bisschop van Lissus (Lezha), waartoe ook het district Shkodra behoort. De vice-consul fungeerde als vertaler en het gesprek werd geanimeerd. De pasja was opmerkelijk vriendelijk en vroeg me op de 5e oktober met hem te dineren. En toen kwamen er allerlei pijpen: koffiepijpen, tabakspijpen, snoepjes, koffiepijpen, sorbets en andere pijpen op tafel; tijdens die ceremonie was het gesprek buitengewoon levendig, in vergelijking met mijn gebruikelijke Turkse bezoeken. Ze noemen deze plaats het Siberië of het ballingsoord van Turkije in Europa; en inderdaad moet het een soort verbanning zijn voor degenen die in Istanbul hebben gewoond’.

Na een lange wandeling langs alle muren van fort Rozafa keerde Edward Lear terug naar het paleis van de pasja, waar hij tot zijn schrik weer van alles aangeboden kreeg: waterpijpen en zoetigheden en hij weer moest praten met de pasja. Hij ging pas heel laat terug naar zijn kamer in het huis van de Venetiaanse apotheker. 

4 oktober 1848 Tekenen van landschappen in de open lucht 

Op de tweede dag in Shkodra gaat Lear tekenen op de mooiste plaatsen die hij de dag ervoor op fort Rozafa vanuit de verte heeft gezien. Uit zijn dagboek:

‘Met de hulp van een behulpzame kawás kon ik de hele dag onophoudelijk tekenen, vanaf verschillende punten aan de zuidkant van het kasteel, van waar het uitzicht zeer indrukwekkend was. In de buurt lag een wonderbaarlijke oude brug over de Boyána, gemaakt van puntige bogen van onregelmatige breedte, met enigszins het effect van zuilen in een gotische kathedraal. Het leek alsof de brug plotseling had besloten de stroom water te gaan overspannen, sommige met kleine stapjes, andere met grote stappen’.

….

‘Misschien was het mooiste van alle uitzichten op Shkodra, dat vanaf de rots ten oosten van de bazaar. Je zag het kasteel, de bergen erboven en de verwoeste stad beneden. De rivier die onder zijn bruggen in de verte kronkelde, vormde een van de mooiste beelden. Terwijl de zon laag zakte, verlichtten haar stralen de wolken. De noordkant van het landschap was schitterend, en vanaf de steile kasteelheuvel, mijn laatste stop, kon niets mooier zijn dan het rijke gebladerte en de glinsterende woningen aan de aan de ene kant en de donkere reeksen van diepblauwe en violette heuvels tegen de heldere lucht. Maar ik moest snel terug, het was tijd om over de geplaveide wegen terug naar mijn gastheer in Shkodra te gaan, om te eten.

Shkodra (Scutari) in het noorden van Albanië. 4 october 1848. Albanezen zitten gehurkt aan de oevers van de rivier de Drin en roken pijp. Op de achtergrond het fort Rozafa en rechts de loden moskee (1773) in de door overstromingen al verlaten oude stad Shkodra.
Shkodra (Scutari) in het noorden van Albanië. 4 october 1848. Albanezen zitten gehurkt aan de oevers van de rivier de Drin en roken pijp. Op de achtergrond het fort Rozafa en rechts de loden moskee (1773) in de door overstromingen al verlaten oude stad Shkodra.

Uit zijn dagboek: 

‘Overal stonden karren met buffels en zaten boeren op de grond, in scharlaken geklede Ghegh’s, vol belangstelling te kijken. Shkodra had maar een gering aantal inwoners en was heel uitgestrekt. De stad vormde vormde een groot contrast met het levendige en bloeiende Monastir (Bitola).”

Edward Lear 4 October 1848. Shkodra (Scutari) in Noord-Albanie. Het reisgezelschap op het pad dat leidt naar fort Rozafa. 
Edward Lear 4 October 1848. Shkodra (Scutari) in Noord-Albanie. Het reisgezelschap op het pad dat leidt naar fort Rozafa.

5 oktober 1848, Diner bij Pasja Osman 

Uit Lear’s dagboek:

‘‘Ik ging vroeg naar de consul om een tekening te maken van een Gheg-chef, Abdulláh Bey, die prachtig gekleed was in een kostuum van scharlaken en goud.

Het heeft de hele nacht hard geregend en om tien uur (toen we eigenlijk naar het pasja-diner hadden moeten gaan) kwamen er stromen water naar beneden, met hevig onweer en hagel. Tegen elf uur hield het een beetje op, en aangezien je uitnodigingen van pasja’s niet kunt weigeren, ging ik op weg naar de vice-consul en nam Giorgio mee met een voorraad schoenen, linnen en stoffen kleding als remedie tegen de nat worden was er een kleine kans om te ontsnappen. 

Nieuwe stormen begonnen. Signor Bonetti, ikzelf, begeleider Pazzini en een Kawas waren allemaal wanhopig door de vallende stromen, liepen via geplaveide paden naar het kasteel, en kwamen daar aan in een volmaakte zondvloed. Nadat we droge kleding hadden aangetrokken verstreek de tijd tot het diner (rond het middaguur) in voortdurende herhalingen van sorbets, zoetigheden, pijpen en koffie, waarbij de pasja altijd erg levendig en vrolijk was.

Osman Pasha was beïnvloed door Europese manieren, en (tot mijn grote opluchting) zaten we allemaal op stoelen rond een tafel; een Bimbashi (of kapitein op wacht) die in zijn nieuwe positie ongeveer net zo op zijn gemak leek als ik had gedaan toen ik in die van de inboorlingen was. Wat betreft het legioen-diner, het is niet te beschrijven. Ik telde zevenendertig gerechten, geserveerd, zoals het in Turkije gebruikelijk is, één op één achter elkaar, en toen werd ik het rekenen moe (in de veronderstelling dat misschien

‘Niets was zo verrassend als de vreemde mengelmoes aan niet bij elkaar passend voedsel dat werd aangeboden: lamsvlees, honing, vis, fruit; gebakken, gekookt, gestoofd, gefrituurd; plantaardig, dierlijk, vers, gezouten, ingemaakt; compact, vloeibaar; olie, peper; zoet, zuur, warm, koud… 

Het machtigste gebak kwam onmiddellijk na aangemaakte visschotels en werd gevolgd door rundvlees, honing en cakes; peren en perziken; krab, ham, gekookt schapenvlees, chocoladecakes, knoflook en gevogelte; kaas, rijst, soep, aardbeien, forel en bloemkool – het was echt een chaos van een diner! 

Ik gaf deze maaltijd niet de warme aandacht die ze verdiende; maar gelukkig was dat ook niet noodzakelijk. Volgens de regels van de Turkse etiquette hoef je alleen maar even van elk gerecht te proeven; en hoewel de pasja me twee of drie keer hielp, was het voldoende om een minuscuul hapje te eten tot de bediende mijn bord wegnam. 

Wat drank betreft, waren er marsala, sherry, hak, champagne, Bass’s pale ale, gebottelde port, rakhi en cognac – een groot assortiment van sterke drank in een mohammedaans huis – en de gelovigen leken zich ook niet in het bijzonder te onthouden van enige vloeistof.  Maar er was geen ongepaste overdaad en zoals opmerkelijk vaak het geval is bij Turkse bezoeken, heerste er rust en orde tijdens het feest.‘

…..

‘Na het eten amuseerde ik de pasja enorm door twee van zijn bedienden te tekenen, en ik had wel meer portretten wilden maken, toen plotseling de komst van de moefti, of Mollah, of Cadi,  werd aangekondigd. Hij droeg een orthodoxe groen-witte tulband en zijn een bezoek maakte een einde aan mijn tijdverdrijf. Om zes uur gingen we weg uit het paleis. Hoe onaangenaam het verhoogde trottoir van Shkodra was, kan niemand anders weten dan degenen die elke vijf minuten in diepe modder en water zijn uitgegleden….

Edward Lear, 5 (moet zijn 6) oktober 1848. Abdullah Bey of Shkodra.
Edward Lear, 5 (moet zijn 6) oktober 1848. Abdullah Bey of Shkodra.

 

6 oktober 1848, Portretteren van Abdulla Bey & Calliopi Bonatti 

Het leek wel een aprildag, met zon en buien. Al vroeg ging ik naar de consul om een tekening te maken van een Gheg-chef, Abdullah Bey, die prachtig gekleed was in een heel pak gemaakt van van scharlaken en goud. Daarna tekende ik Calliope Bonatti, de tweede dochter van de consul, een heel mooi meisje, die goed en natuurlijk voor me poseerde in een bruidsjurk van een vrouw uit Shkodra. Mevrouw Bonatti had die – zeer gedienstig- van een vrouw uit de buurt geleend.

albanie-klederdracht-dame4

Edward Lear, 6 October 1848. Calliope Bonatti, de op een na oudste dochter van de Britse vice-consul van Shkodra (Scutari) poseert in traditioneel kostuum.
Edward Lear, 6 October 1848. Calliope Bonatti, de op een na oudste dochter van de Britse vice-consul van Shkodra (Scutari) poseert in traditioneel kostuum.

 

Uit zijn dagboek: 

‘Er is geen mooier kostuum dan dit: paarse zijde en fluweel, rijkelijk geborduurd in goud en zilver, vormen het bovenkleed, de patronen zijn met de hand bewerkt met een goede smaak; twee of drie onderhemden zijn bedekt met borduurwerk, ze draagt twee volledig paarse broeken, ontelbare kettingen van gouden en zilveren munten en medaille. Een lange witte sluier maakt het kostuum compleet, met uitzondering van verschillende gekleurde zijden zakdoeken, die aan de binnenkant van het buitenvest zijn genaaid en smakeloos en ongeordend ogen, in vergelijking met de rest van de jurk. Deze kleding wordt alleen gedragen op feestdagen of bij speciale gelegenheden, zoals huwelijken en doopfeesten’. 

Uit: Edward Lear in Albania, Journals of a Landscape Painter in the Balkans; edited by Bejtullah Destani en Robert Elsie. Preface Vivien Noakes. IB Taurus In Association with The Centre for Albanian Studies, London, 2008.

 

Meer weten over Fort Rozafa, van Shkodra? Lees ook: Fort Rozafa, Shkodra

One Reply to “Edward Lear brengt twee bezoeken aan het Rozafa Fort van Shkodra ”

Geef een antwoord

Note: Comments on the web site reflect the views of their authors, and not necessarily the views of the bookyourtravel internet portal. You are requested to refrain from insults, swearing and vulgar expression. We reserve the right to delete any comment without notice or explanations.

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn ondertekend met *